De mens als draagling

De mens als draagling

De mens als draagling.

De mens als draagling. In de natuur zijn er 3 soorten jongen te onderscheiden.

Nestblijvers
Nestblijvers worden doof en blind geboren, vaak ook naakt. Ze zijn nog niet zelfstandig en worden gevoed met vetrijke moedermelk zodat ze lang verzadigd blijven. Dit is ook nodig, want vaak moeten de jongen uren lang alleen blijven in het nest, omdat moeder op jacht gaat naar voedsel. De jongen schreeuwen om aandacht bij het verlaten van het nest. Het nest geeft hen warmte en geborgenheid.
Voorbeelden hiervan zijn honden en katten.

Nestvlieders
Nestvlieders zijn kleine miniatuuruitgaven van hun ouders. In tegenstelling tot de nestblijvers staan zij vrij snel rechtop na de geboorte en werken al hun zintuigen. Klaar om hun moeder overal te volgen. Ze schreeuwen om aandacht wanneer ze hun moeder niet kunnen zien. Nestvlieders worden gevoed met eiwitrijke moedermelk. Deze zorgt ervoor dat ze snel groeien.
Voorbeelden hiervan zijn paarden en koeien.

Draaglingen
Draaglingen worden hulpeloos geboren, maar wel met functionerende zintuigen. Ze worden gevoed met moedermelk die minder vet is dan die van nestblijvers en minder eiwitrijk dan die van nestvlieders. Daarentegen bevat de moedermelk veel meer koolhydraten. Dit is noodzakelijk voor de ontwikkeling van de hersenen. Draaglingen moeten dus regelmatig gevoed worden en door dicht bij de moeder te blijven verzekeren ze zich van voedsel, warmte en veiligheid. Een draagling die gescheiden wordt van zijn moeder zal dan ook direct schreeuwen om aandacht. Gescheiden worden van de moeder is voor een draagling levensgevaarlijk en  het is dan ook belangrijk dat het contact met de moeder snel wordt hersteld.
Voorbeelden hiervan zijn apen en primaten.
Bij de draaglingen maakt men een onderscheiding tussen passieve en actieve draaglingen.

Passieve draaglingen
Een passieve draagling is bijvoorbeeld een kangoeroe. De eerste maanden zit of ligt het jong van de kangoeroe in de buidel bij zijn moeder zonder zich daarbij vast te hoeven houden. De poten van een kangoeroe zijn er niet op gebouwd om hun moeder vast te houden.

Actieve draaglingen
Een actieve draagling is bijvoorbeeld een aap. Ze houden zich actief met handen en voeten vast aan de moeder.

Het zal je nu allerminst verbazen dat ook mensenbaby’s draaglingen zijn. Ze hebben veel voedingen nodig en dit kan alleen wanneer ze zich dicht bij hun moeder bevinden. Ook op het vlak van bescherming is het nodig dat ze zich dicht bij hun moeder of verzorger in de buurt zijn. Zodra ze ook maar het vermoeden hebben alleen te zijn zullen ze gaan schreeuwen (contactroep).
Daarnaast vertonen baby’s ook een reeks reflexen en hebben ze enkele fysieke kenmerken die gericht zijn op “gedragen” worden.

Reflexen
De Mororeflex: wanneer de baby schrikt of valt opent hij zijn armen en benen om ze vervolgens te sluiten. De baby probeert zich zo vast te grijpen aan zijn moeder. Deze refelx werd beschreven door de Oostenrijkse kinderarts Ernst Moro en werd door hem ook wel de omklemmingsreflex (“Umklammungsreflex”) genoemd.

De grijpreflex: plaats je vinger in de handpalm van een baby en hij grijpt die zeer stevig vast. Wanneer je dit met beide handen doet dan kan je de baby zelfs rechttrekken uit een liggende positie. Ook de voet vertoont een grijpreflex. De voet kromt en de tenen krullen naar binnen. Echt grijpen kan zo’n voetje natuurlijk niet meer, omdat de evolutie van de voet gericht is op het dragen van het lichaamsgewicht in rechtopstaande stand. Er is natuurlijk ook niets meer om naar te grijpen. Onze “vacht” zijn we door de eeuwen heen kwijt geraakt.

Spread-squat reflex: wanneer een baby wordt opgetild, spreidt en heft hij de beentjes op in een soort hurkstand, Deze positie bereidt de baby voor om gedragen te worden op de heup van de moeder. Anatomisch gezien is de hoek van de heup ideaal om de spreidpositie van de beentjes van de baby te ondersteunen.

Fysieke kenmerken
Bij een (pasgeboren) baby wijzen de handpalmen en voetzolen naar elkaar toe en de beentjes hebben een o-vorm. Dit maakt het voor de baby makkelijker om zich vast te grijpen.
Daarnaast vertoont de ruggengraat een volledige kromming, ook wel de C-vorm genoemd.

Als je de ruggengraat van een volwassene en die van een baby bekijkt heeft die van een volwassene een S-vorm en die van een baby een C-vorm. Bij de geboorte heeft de ruggengraat zich dus nog niet volledig ontwikkeld. De botten zijn nog buigzaam. Externe factoren gaan tijden het eerste levensjaar bepalen hoe de botten zich gaan zetten.
In de ruggengraat van een volwassene onderscheiden we twee krommingen. De eerste kromming bevindt zich bovenaan, ter hoogte van de nek. De tweede kromming bevindt zich onderaan, net boven de billen. De ruggengraat van een baby daarentegen is helemaal gebogen.
De eerste kromming in de ruggengraat van een baby wordt gevormd in de eerste maanden als hij nog in de buik van zijn moeder zit. Wanneer een baby op zijn buik ligt gaat hij zijn hoofd naar boven richten. Zo wordt de kromming bovenaan de ruggengraat gevormd. De tweede kromming, onderaan de ruggengraat, wordt gevormd wanneer de baby begint te kruipen.

De draaghouding van de baby zou dan ook zo dicht mogelijk moeten aanleunen bij zijn natuurlijke houding. Wanneer je een baby op zijn rug legt spreidt hij automatisch zijn beentjes en trekt ze op. Wanneer je een baby vastpakt doet hij hetzelfde. De kikkerhouding is dus de meest natuurlijke houding voor een baby. Het is dan ook logisch dat de beste draagpositie die is waarin je baby diezelfde natuurlijke houding kan aannemen: naar binnen gericht, in de kikkerhouding. Enkel naar binnen gericht wordt de natuurlijke vorm van de ruggengraat gerespecteerd.

De waardering van www.draaggrietje.nl bij Webwinkel Keurmerk Klantbeoordelingen is 9.6/10 gebaseerd op 30 reviews.